Houwdegen stadhouderlijke garde, Nederland, 1701-1747
houwdegen
Gevest gemaakt van messing met een rechte, breed uitlopende pareerstang. Aan de basis van de voorpareerstang ontspringt een D-vormige knokkelbeugel. Deze knokkelbeugel heeft een ovale doorsnede en is met behulp van een schroef bevestigd aan de gevestknop. Aan beide zijkanten van de achterpareerstang ontspringt een zijring. Deze zijringen vormen samen een hartvorm waarna ze samenvoegen met de knokkelbeugel. Dit hart is opgevuld met een messing plaat. Uit de buitenste zijring ontspringt een zijbeugel, die vloeiend overgaat in de knokkelbeugel op ongeveer de helft van de knokkelbeugel. Uit de binnenste zijring ontspringt een duimring. Op de platen is een inscriptie aangebracht: "R P / No 33". De betekenis van "R P" is onbekend, maar "No 33" heeft waarschijnlijk betrekking op het manschapsnummer of inventarisnummer van deze degen.De handgreep is spoelvormig en gemaakt van hout met een ovale doorsnede. De handgreep is omwikkeld met getwijnd messingdraad.
De gevestknop is bolvormig en gemaakt van messing. Bovenop de gevestknop is een gestyleerde 'hanenkam' aangebracht als versiering. Hierboven is een schijfvormige angelknop aanwezig.
De kling is recht, tweesnijdend en gemaakt van ijzer. De kling is voorzien van een symmetrische punt en een middengeul die aanwezig vanaf 1/8e van de kling tot aan ongeveer 15/16e van de kling. Aan de basis van de kling is op beide zijden van de kling een wapenschild aangebracht door etsing. Dit wapenschild is van de Friese stadhouder Johan Willem Friso of zijn zoon, de latere stadhouder Willem IV. Zij gebruikten hetzelfde wapenschild totdat Willem IV werd aangesteld als stadhouder van de gehele Republiek.
Dit type houwdegen is een doorevolutie van de vroegere Waalse degen, of Epée Walone. De eerste vermeldingen van geelkoperen (messing) gevesten dateren uit 1701. Dit type gevest is in gebruik geweest in de periode 1701 - 1750, maar op basis van het stadhoudelijke wapen moet het voor 1747 gemaakt zijn. Deze houwedegen zal in gebruik geweest zijn bij de stadhouderlijke garde (later de garde du corps genoemd).